Menú
¡Llama gratis! 900 264 357

Curso Holandés Nivel Básico (Nivel Oficial Consejo Europeo A1-A2) de INESEM Formación Continua

INESEM Formación Continua

INESEM Formación Continua
A Distancia Duración: 180
Pedir información
A Distancia en España

Temario

Objetivos: Comprender y utilizar expresiones cotidianas de uso muy frecuente así como frases sencillas destinadas a satisfacer necesidades de tipo inmediato. Presentarse a sí mismo y a otros, pedir y dar información personal básica sobre su domicilio, sus pertenencias y las personas que conoce. Relacionarse de forma elemental siempre que su interlocutor hable despacio y con claridad y esté dispuesto a cooperar.

Para qué te prepara: Obtendrás el título oficial del consejo europeo: A1-A2.
Permite adquirir las bases de vocabulario y de gramática y abordar el idioma en contexto con textos y diálogos.
Se privilegia un enfoque comunicativo, cuyo objetivo es enseñar al alumno a comunicarse en otro idioma y a entender y producir "sentido".
Los textos y los diálogos facilitan al alumno la inmersión en el idioma y sirven de soporte para el aprendizaje de las estructuras y del léxico de base, esenciales para poner en práctica el idioma.

Dirigido a: Profesionales, estudiantes, desempleados o cualquier persona interesada en formarse en el aprendizaje del holandes, el cual lo hablan más de 5 millones de personas en el mundo.

Programa

MÓDULO 1. LECCIONES DEL CURSO.
TEMA 1. MI FAMILIA.
TEMA 2. DESCRIBIRSE.
TEMA 3. CONTAR Y JUGAR.
TEMA 4. DÍAS Y MESES.
TEMA 5. COSAS Y ANIMALES.
TEMA 6. JOVEN, VIEJO, CALIENTE, FRÍO.
TEMA 7. EN HOLANDA.
TEMA 8. FIESTA DE BIENVENIDA.
TEMA 9. EN AMSTERDAM.
TEMA 10. LA RUTA..
TEMA 11. DESAYUNO.
TEMA 12. CAFÉ O TÉ.

MÓDULO 2. CONTENIDOS TEÓRICOS.

1. Het werkwoord 'zijn'
2. Het werkwoord 'hebben'
3. De directe vraagzin
4. Het bijvoeglijk naamwoord (gebruik en plaats)
5. De verbuiging van het bijvoeglijk naamwoord
6. De gebiedende wijs
7. Het onbepaald lidwoord
8. Zelfstandige naamwoorden
9. Het modale hulpwerkwoord 'kunnen'
10. Het bepaald lidwoord
11. Hoofd- en rangtelwoorden
12. De ontkenning
13. Bezittelijke voornaamwoorden
14. Bijvoeglijk gebruik van bezittelijke voornaamwoorden
15. Vragende bijwoorden
16. Tijd en data
17. De stellende trap bij een vergelijking
18. De vergrotende trap bij een vergelijking
19. Meervoudsvorming
20. De spellingherziening
21. Voorzetsels van plaats
22. Het werkwoord 'houden van'
23. De constructie met 'van'
24. Verzelfstandiging van bijvoeglijke naamwoorden
25. Het gebruik van hoofdletters
26. De onvoltooid tegenwoordige tijd
27. De voltooid tegenwoordige tijd
28. Vragende voornaamwoorden
29. Bijvoeglijk gebruik van vragende voornaamwoorden
30. Wederkerige werkwoorden
31. De persoonlijke voornaamwoorden
32. De overtreffende trap bij een vergelijking
33. Leeftijd
34. Het gebruik van 'hen' en 'hun'
35. Wederkerende werkwoorden
36. Meervoudsvorming (onregelmatig)
37. Aanwijzende voornaamwoorden
38. Bijvoeglijk gebruik van aanwijzende voornaamwoorden
39. Het modale hulpwerkwoord 'zullen'
40. De vorming van het voltooid deelwoord
41. De voltooid verleden tijd
42. Het gebruik van naamvallen
43. Het modale hulpwerkwoord 'willen'
44. Het modale hulpwerkwoord 'mogen'
45. Het modale hulpwerkwoord 'moeten'
46. Nevenschikkende voegwoorden
47. De onbepaalde wijs
48. Samengestelde bijvoeglijke naamwoorden
49. Zwakke werkwoorden
50. Sterke werkwoorden
51. Onregelmatige werkwoorden
52. Werkwoorden met een onscheidbaar partikel
53. Werkwoorden met een scheidbaar partikel
54. Het verbindingsstreepje
55. Woordvolgorde in een hoofdzin
56. Woordvolgorde in een bijzin
57. Het gebruik van 'zo'n' en 'zulk'
58. Het gebruik van de apostrof
59. Tussenwerpsels
60. Samentrekkingen
61. Werkwoorden met een vast voorzetsel
62. Betrekkelijke voornaamwoorden
63. Uitheemse woorden
64. De aanvoegende wijs
65. De lijdende zinsvorm
66. De tussenletter n
67. Voorzetseluitdrukkingen
68. De bijwoorden 'al', 'nog' en 'pas'
69. Het werkwoord 'laten'
70. Het gebruik van de komma
71. Het gebruik van 'er'
72. Voornaamwoordelijke bijwoorden
73. Het werkwoord 'worden'
74. De onvoltooid verleden tijd
75. De vervoeging van 'hebben' en 'zijn' (o.v.t.)
76. Het werkwoord 'doen'
77. Gebruik van het trema
78. Het beklemtonen van klinkers
79. Onderschikkende voegwoorden
80. Onpersoonlijke werkwoorden
81. Onbepaalde voornaamwoorden
82. Bijvoeglijk gebruik van onbepaalde voornaamwoorden
83. Achterzetsels
84. De onvoltooid verleden toekomende tijd
85. De voltooid verleden toekomende tijd
86. Het gebruik van 'te'
87. Onbepaalde hoofdtelwoorden
88. Geld
89. Verkleinwoorden
90. Het tegenwoordig deelwoord
91. Duratieve constructies
92. De toekomende tijd met 'gaan'
93. De tussenletter s
94. Verkleinwoorden (gebruik)
95. De werkwoorden 'liggen', 'staan' en 'zitten'
96. De buigings-s

MÓDULO 3. CONTENIDOS PRÁCTICOS. ACTIVIDADES PARA LA PRÁCTICA DE LOS CONOCIMIENTOS.
TEMA 1. DIÁLOGO.
TEMA 2. PRONUNCIACIÓN/FONÉTICA.

1. Pronunciación de frases.
2. Pronunciación de palabras.
3. Ejercicio de fonética.

TEMA 3. VÍDEO Y CUESTIONARIO.
TEMA 4. EJERCICIOS.
TEMA 5. EVALUACIÓN DEL APRENDIZAJE.
TEMA 6. EXPLICACIONES GRAMATICALES.
TEMA 7. HERRAMIENTA DE CONJUGACIÓN.
TEMA 8. LÉXICO.
TEMA 9. FICHAS CULTURALES.

Información Adicional

Prerrequisitos: Ser trabajador contratado en el régimen general y enviar la documentación de matrícula (no válido para autónomos y funcionarios).

Requisitos
Residentes en España

Títulación: Titulación avalada por el Instituto Europeo de Estudios Empresariales

Contacta ahora con el centro